...
6.4 Een factor voor het wortelteken brengen
In de vorige paragraaf heb je geleerd dat alleen gelijksoortige wortels bij elkaar mogen worden opgeteld. Maar soms zit deze gelijksoortigheid verstopt.

Neem bijvoorbeeld √2 en √32
Zo op het eerste gezicht zijn deze wortels niet gelijksoortig.
Maar dat is slechts schijn, de gelijksoortigheid zit hier verborgen, we moeten er alleen even naar zoeken.

voorbeeld:
32 kan geschreven worden als √16x2 ofwel √16 x √2
16 = 4
en daarom: √32 = 4 √2
Er is nu een factor voor het wortelteken gebracht

2√27 = 2x√9x√3 = 2x3x√3 = 6
Wat je dus moet doen is het getal in twee factoren proberen te ontbinden.
Daarbij moet één van die factoren een zo groot mogelijk kwadraat zijn.

Het getal √32 uit voorbeeld 1 was ook te schrijven als 4×8. De 4 is wel een kwadraat, maar in dit geval niet de grootste.

Het lukt niet altijd. Neem bijvoorbeeld √30
30=2×15 of 30=6×5 of 30=10×3.
In geen van de gevallen komt een kwadraat voor.
Er kan hier dus geen factor voor het wortelteken worden gebracht.
Opgave 4.06
Breng een factor voor het wortelteken:
Opgave 4.07
Breng een zo groot mogelijke factor voor het wortelteken:
Opgave 4.08
Haal een zo groot mogelijke factor onder het wortelteken vandaan:
Opgave 4.09
Leef je nu uit op de volgende wortelopgaven
Inhoud Hoofdstukken  |   Inhoud H6  |   naar boven  |   vorige  |   vervolg